ProFri nadert zijn tiende verjaardag. De vakvereniging is nog jong. Toch past ProFri in een lange historie van belangenbehartiging voor frietverkopers. Decennialang moesten die hun bestaansrecht te vuur en te zwaard verdedigen. Tegen de lokale overheid en de publieke opinie, maar ook tegen collega’s in de horeca die het vak niet voor vol aanzagen, wat helaas nog steeds vaak het geval is.

door Ubel Zuiderveld

IJsfrica

Velen in de branche zullen de naam nog kennen. Het is de belangbehartiger cq vakvereniging met verreweg de langste staat van dienst. Zijn voorgangers meegerekend, kan IJsfrica bogen op een historie van bijna driekwart eeuw. Uiteindelijk ging IJsfrica op in Koninklijke Horeca Nederland. Maar er waren meer belangenorganisaties voor “patates fritesbakkers”. Bij het vijfjarig jubileum plaatsen we ProFri in historisch perspectief aan de hand van strijdpunten in de frituurbranche.

Sluitingstijden

In 1937 richtte de Tilburgsche Bond van Patate Frite Bakkers zich op. Het strijdpunt dat leidde tot de oprichting, was de onwerkbare verplichte sluitingstijd in de plaatselijke verordening van de gemeente Tilburg. Zondagmiddag van 2 tot 6 uur moesten de frituurders namelijk hun loketten sluiten: “Vooral des Zondags kan men iets verdienen en door de verordening wordt dat ontnomen.” Dadelijk na de eerste vergadering uitte de Tilburgsche Bond zijn grieven en bezwaren richting burgemeester en wethouders. Het probleem, mede een gevolg van de Winkelsluitingswet uit 1930, speelde ook in andere delen van Nederland. Zo werden de nodige rechtszaken gevoerd, omdat friet buiten sluitingstijden niet mocht worden meegenomen (dat gold als winkelverkoop) maar ter plekke geconsumeerd moest worden.

IJzig conflict

IJs was lang een belangrijker product dan friet. De Nederlandsche Bond van Consumptieijsbereiders, voorloper van IJsfrica, werd opgericht in 1929. Het was bepaald geen zachtzinnig gezelschap. Toen Italiaanse ijsbereiders naar ons land kwamen, werd er harde, op bijna racistische wijze actie tegen hen gevoerd. Vanaf de dertiger jaren bakten steeds meer ijssalons buiten het zomerseizoen friet. Dat was tegen het zere been van veel “chique” ijsbereiders. Na de oorlog leverde de controverse ijs-friet zelfs een scheuring op in de bond. De Zuid-Nederlandse ijs- annex frietverkopers scheidden zich woedend af. Ze richtten de Katholieke Bond van Consumptie-IJsbereiders en Patates-Frites-Bakker Sint Pancratius op. Twee jaar later sloten de partijen elkaar alsnog in de armen. Niet alleen werd friet steeds belangrijker, ook gezamenlijke belangen (wéér een nieuwe Winkelsluitingswet) brachten de kemphanen weer tot elkaar.

BTW Piet

Piet Spiering. De hele branche kende de snackbarhouder van het Noordereiland in Rotterdam als “BTW Piet”. Onvermoeibaar hielp Spiering de branche uit de brand na de invoering van de Wet op de Omzetbelasting in 1968. Die was voor veel frituurders behoorlijk onwerkbaar. Er golden namelijk allerlei verschillende btw-tarieven, bijvoorbeeld voor “meenemen” en “eten ter plekke”. Daar bovenop golden ingewikkelde uitzonderingen. BTW Piet streed liefst vijftien jaar voor vereenvoudiging van de regels – en won uiteindelijk de strijd. Trouwens, Piet was in de jaren veertig medeoprichter van de Verpaba, de Vereenigde Patat Frite-Bakkers (ja, zo schreven ze het echt) in Rotterdam. Toen de vete tussen ijs en friet definitief beslecht was, sloot de Verpaba zich aan bij de landelijke bond die zich uiteindelijk IJsfrica zou gaan noemen.

Max 80 cent

Nee, je kunt het je nauwelijks voorstellen. Maar in 1978 gebeurde het nog; politiek Den Haag stelde een prijsbeschikking vast voor friet. Een maximum consumentenprijs. Dat had destijds te maken met maatregelen om de koopkracht in Nederland op peil te houden. Op 22 november schreef de Unie van IJsbereiders en Cafetariabedrijven (IJsfrica) hierover de minister van economische zaken een alarmerend telegram. “De Unie vindt de prijsbeschikking inzake patates frites onaanvaardbaar,” stond er te lezen. De prijsbeschikking was heel precies: een portie friet van 150 gram mocht voortaan nog maximaal 80 cent kosten – guldencenten wel te verstaan.

Eenarmige bandieten

Nee, met het frituurvak had het weinig te maken. Toch stonden in de Nederlandse cafetaria’s vele duizenden eenarmige bandieten en andere kansspelautomaten. Dat leverde een lief sommetje op. Er zijn extreme voorbeelden van bedrijven die zo vier ton in guldens jaarlijks opstreken. De overheid wilde de kansspelautomaten kwijt. Ze trokken criminelen aan (naar verluidt zelfs Willem Holleeder en zijn maten) en werkten gokverslaving in de hand. IJsfrica streed lang voor behoud van tenminste één automaat per zaak. Maar rond 1994 was er geen houden meer aan. Het verbod kwam er.

Imago en vakmanschap

Het loopt als een rode draad door de frituurhistorie. Over het frietbakkersvak werd/wordt vaak laatdunkend gedaan. In de tweede helft van de vorige eeuw beweerde menigeen “Als je van de bouwsteiger valt, kun je altijd nog een friettent beginnen.” Vooral IJsfrica speelde een belangrijke rol bij de emancipatie van het frituurvak binnen de horeca. De laatste jaren staat het imago van de branche opnieuw op het spel. “Vet en ongezond eten,” hoor je vaak beweren in de media, de publieke opinie en zelfs politiek. Imagoverbetering is dan ook een van de doelstellingen van ProFri – te bereiken door middel van een verdere opwaardering van het vak en het vakmanschap.
Op de bres voor frituurbelangen, het blijft noodzakelijk.

De makers van de foto’s bij dit artikel hebben we niet kunnen achterhalen. Dit geldt ook voor de openingsfoto, die uit de collectie van KBO Rotterdam komt. Rechtmatige eigenaars kunnen zich melden bij de redactie.

Dit artikel is eerder gepubliceerd in het magazine Frituurwereld 5 ter gelegenheid van het eerste lustrum van vakvereniging ProFri.