De nieuwe Europese verpakkingsregels gaan niet alleen over het materiaal waarvan een bakje of beker is gemaakt. De PPWR grijpt straks ook in op de dagelijkse werkwijze aan de toonbank, online bestellingen, bezorgen, statiegeld en het innemen en reinigen van verpakkingen. De praktische impact voor frituurzaken blijkt daardoor groter dan aanvankelijk gedacht.

De PPWR geldt niet alleen voor onze sector. Iedere voedselverstrekker die bereide voeding of dranken in afhaalverpakkingen aanbiedt, krijgt ermee te maken. Voor frituurzaken is de impact wel bijzonder groot, omdat afhalen en bezorgen een belangrijk deel van de bedrijfsvoering vormen.
Vanaf 2027: eigen bakje welkom
Vanaf 12 februari 2027 moet een klant een eigen schoon en geschikt bakje of beker kunnen meenemen. Dit geldt voor alle voedselverstrekkers, ook voor kleine ondernemingen. Je bent verplicht deze te accepteren en het gebruik van zelf meegenomen bakjes en bekers te stimuleren.
De klant mag daardoor niet duurder uit zijn of onder minder gunstige voorwaarden worden geholpen. Een korting is niet verplicht. Een ondernemer mag een vuil, beschadigd of ongeschikt bakje wel weigeren en moet duidelijk aangeven aan welke voorwaarden een meegebrachte verpakking moet voldoen.
ProFri werkt daarom aan één praktisch hygiëneprotocol, een korte instructie voor medewerkers en een toonbanksticker met als hoofdtekst:
Je eigen schone en geschikte bakje of beker is welkom
Het voornemen is de sticker en actuele informatie in januari mee te sturen met de contributiefactuur. Ook komen verschillende formaten en tekstvarianten beschikbaar als download.
Vanaf 2028: een eigen hergebruiksysteem
Vanaf 12 februari 2028 moeten ondernemingen die niet als micro-onderneming gelden ook een herbruikbare verpakking binnen een retour- of hergebruiksysteem aanbieden.
De klant hoeft daar niet voor te kiezen. Het product mag in een herbruikbare verpakking echter niet duurder zijn dan in een eenmalige verpakking. Een redelijk en volledig terugbetaalbaar statiegeld kan wel onderdeel zijn van het systeem.
Een onderneming is alleen een micro-onderneming wanneer zij minder dan tien arbeidsjaareenheden heeft én een omzet van maximaal twee miljoen euro óf een balanstotaal van maximaal twee miljoen euro. Het gaat bij de personeelsgrens om het gemiddelde aantal fte op jaarbasis, niet om het aantal medewerkers. Wie tien fte of meer heeft, valt dus niet onder de uitzondering.
Onze eerste inschatting is dat de verplichting vanaf 2028 daardoor voor een aanzienlijk deel van de ProFri-leden gaat gelden.
Ook bezorgen valt eronder
Bij thuisbezorging kan een klant vanzelfsprekend geen eigen bakje aan de toonbank aanbieden. De verplichting vanaf 2027 betekent daarom niet dat een bezorger eerst een lege verpakking bij de klant moet ophalen. Bij online bestellen en zelf afhalen moet het gebruik van een eigen bakje wel mogelijk zijn.
De verplichting om vanaf 2028 een herbruikbare verpakking aan te bieden, geldt volgens de Europese Commissie ook voor bezorgbestellingen. Dat roept vragen op over statiegeld, retourname, reiniging en bestellingen via bezorgplatforms. De precieze praktische uitwerking is nog niet op alle punten duidelijk.
Samenwerking wordt noodzakelijk
ProFri wil bij de belangrijkste verpakkingsleveranciers en verpakkingspartners een uniforme PPWR-bevestiging opvragen. Zo hoeven leden niet ieder afzonderlijk uit te zoeken welke verpakkingen voldoen en welke documentatie zij moeten bewaren.
Daarnaast is overleg nodig met de cafetariaformules die collectief bij ProFri zijn aangesloten. Ook willen we aansluiting zoeken bij andere formules in de frituurbranche. Daarmee kunnen we voorkomen dat er allerlei verschillende bakjes, statiegeldbedragen en niet op elkaar aansluitende retoursystemen ontstaan.
Waar hebben leden behoefte aan?
Tijdens de Algemene Ledenvergadering op 14 september willen we niet alleen uitleggen wat er op de sector afkomt. We willen vooral horen wat ProFri centraal moet oppakken.
Zijn een leveranciersverklaring, hygiëneprotocol, personeelsinstructie en toonbanksticker voldoende? Is een eenvoudige controle op de micro-ondernemersgrens gewenst? En moet ProFri samen met formules en verpakkingspartners onderzoek doen naar een collectief hergebruiksysteem voor afhalen én bezorgen?
De regels zijn vastgesteld, maar veel onderdelen moeten nog praktisch worden ingevuld. ProFri wil daarbij niet meer organiseren dan noodzakelijk, maar wel voorkomen dat iedere frituurondernemer straks afzonderlijk het wiel moet uitvinden.
Achtergrond
Frites Atelier bestaat tien jaar en markeert dat met porseleinen frietbakjes en champagne. Achter die luxe presentatie gaat echter een formule schuil die haar koers verschillende keren heeft moeten aanpassen. De oorspronkelijke Nederlandse vestigingen verdwenen, de internationale uitrol bleef tot nu toe beperkt en ook de Frites Atelier-friet voor andere restaurants beleefde nog geen brede doorbraak.

Porselein voor gasten die blijven eten
Gasten die bij Frites Atelier in Antwerpen, Gent of Brussel ter plaatse eten, krijgen hun friet voortaan in een speciaal ontworpen porseleinen bakje. Wie zijn bestelling meeneemt, ontvangt deze nog steeds in het bekende blauwe papieren bakje.
Ter gelegenheid van het tienjarig bestaan staat ook ‘Sergio’s Perfect Serve’ op het menu. Voor 15 euro krijgt de gast friet, twee sauzen naar keuze en een glas Piollot Père & Fils Brut – Cuvée Exclusive pour Sergio Herman.
Volgens Frites Atelier moet het nieuwe servies de presentatie verder verfijnen en tegelijkertijd het gebruik van wegwerpmateriaal verminderen. Het porselein wordt gecombineerd met een vork en dienblad in de herkenbare huisstijl van de formule.
Een herbruikbaar bakje voor gasten die blijven eten is op zichzelf niet vernieuwend. Dat gebeurt in restaurants en veel cafetaria’s al jaren. De nieuwswaarde zit vooral in de zorgvuldig vormgegeven presentatie waarmee Frites Atelier zijn positie in het hoogste segment van de frietmarkt verder aanscherpt.
Herbruikbaar is in Nederland al de norm
De overstap naar porselein sluit bovendien aan bij de regelgeving rond wegwerpverpakkingen. In Nederland zijn plastic bevattende wegwerpbekers en -bakjes sinds 1 januari 2024 in beginsel verboden bij consumptie ter plaatse. Herbruikbaar is de norm. Alleen onder voorwaarden, zoals gescheiden inzameling voor hoogwaardige recycling, kan een uitzondering gelden.
Voor Nederlandse cafetaria’s, snackbars en restaurants is herbruikbaar servies bij consumptie in de zaak dus niet alleen een keuze voor uitstraling of duurzaamheid. Het is ook de meest praktische manier om aan de regels te voldoen.
De introductie van Frites Atelier geldt echter uitsluitend voor de drie Belgische Ateliers. België kent niet precies dezelfde algemene verplichting voor plastic bevattende voedselverpakkingen bij consumptie in de horeca. In Vlaanderen richten bestaande verplichtingen zich onder meer op evenementen en overheden. De porseleinen bakjes zijn voor Frites Atelier daarom niet aantoonbaar een wettelijk verplichte stap, maar passen wel in de bredere Europese en Vlaamse beweging van wegwerp naar hergebruik.
De franchisevestigingen in Londen en Roosendaal vallen vooralsnog buiten de introductie. Dat kan niet alleen met zitplaatsen te maken hebben. De vestiging in Designer Outlet Roosendaal werd ontworpen met ruimte voor 85 gasten.
Vijf permanente vestigingen na tien jaar
Frites Atelier heeft momenteel vijf permanente vestigingen: Antwerpen, Gent, Brussel, Roosendaal en Londen. De drie Belgische Ateliers worden rechtstreeks geëxploiteerd. Roosendaal en Londen zijn franchisevestigingen.
Vijf permanente vestigingen na tien jaar is geen onverdeeld groeisucces, zeker niet afgezet tegen de ambities die door de jaren heen zijn uitgesproken. In 2024 meldde de formule nog in 2030 in alle Europese hoofdsteden vertegenwoordigd te willen zijn. Investeerder en mede-eigenaar Laurent Hompes werd daarbij omschreven als de drijvende kracht achter de internationale expansie.
De praktijk bleek tot nu toe aanzienlijk weerbarstiger.
De eerste Nederlandse vestigingen hielden geen stand
Het eerste Frites Atelier opende in juni 2016 aan de Venestraat in Den Haag. Kort daarna volgden vestigingen in Utrecht en Arnhem. Het waren kleine locaties met weinig tot geen zitplaatsen, vooral gericht op inloop en meenemen.
In 2017 volgde Antwerpen. Daarna werden in Gent en Brussel veel grotere zaken geopend, met meer zitplaatsen en een uitgebreider assortiment. Daar konden gasten niet alleen terecht voor friet en sauzen, maar ook voor kroketten, burgers, bier en wijn.
Met die Belgische vestigingen veranderde ook de koers van de formule. Frites Atelier wilde niet langer alleen een luxe inloopfrituur zijn, maar een volwaardig fast-casualrestaurant met een bredere totaalbeleving.
Utrecht sloot in 2019. Frites Atelier verklaarde destijds dat de grotere Belgische vestigingen een gezondere businesscase opleverden. In Utrecht zou worden gezocht naar een groter pand met minimaal vijftig zitplaatsen en een terras. Die vervangende vestiging kwam er niet.
Arnhem sloot in 2020. De kleine zaak kon tijdens corona niet binnen de anderhalvemeterregels worden geëxploiteerd. Ook daar werd gesproken over een nieuwe en grotere locatie, maar die is nooit gerealiseerd.
In 2024 ging ten slotte het eerste Atelier in Den Haag dicht. Daarmee verdwenen alle drie de permanente vestigingen waarmee Frites Atelier in Nederland was begonnen.
Dat betekent niet dat iedere sluiting uitsluitend het gevolg was van tegenvallende verkopen. Het laat wel zien dat het oorspronkelijke Nederlandse vestigingsmodel onvoldoende houdbaar of reproduceerbaar bleek.
België is de meest logische thuisbasis
Het bestaansrecht van de drie Belgische Ateliers is beter te begrijpen. Friet maakt er nog nadrukkelijker deel uit van de eetcultuur. Bovendien gaan Belgen gemakkelijker ‘op restaurant’ voor een uitgebreid eetmoment. De grotere Ateliers combineren friet met toppings, kroketten, burgers, bier, wijn en bediening in een omgeving waarin gasten langer blijven.
De vestigingen liggen bovendien in drukbezochte stadscentra met veel toeristen en dagjesmensen. Dat past beter bij een premiumconcept dat niet alleen friet, maar ook uitstraling en beleving verkoopt.
Daar komt de naam en faam van Sergio Herman bij. Zeker in België en Antwerpen heeft hij een groot culinair aanzien. Zijn naam, signatuur en voortdurende betrokkenheid geven het concept aantrekkingskracht en maken een hoger prijsniveau beter verdedigbaar.
Frites Atelier stelt zelf dat de Belgische Ateliers het hart van de organisatie vormen en op volle capaciteit draaien. De openbare jaarrekeningen over 2025 laten niettemin een gemengd financieel beeld zien.
Antwerpen boekte een winst van ruim 107.000 euro en Gent iets meer dan 10.000 euro. Brussel leed een verlies van ruim 233.000 euro. Bij alle drie de afzonderlijke vennootschappen was het eigen vermogen eind 2025 nog negatief.
De jaarrekeningen van Antwerpen, Gent en Brussel vertellen niet het volledige financiële verhaal van de groep. Binnen een groep kunnen bijvoorbeeld kosten, investeringen en onderlinge vergoedingen over verschillende vennootschappen worden verdeeld. De cijfers maken wel duidelijk dat ook de Belgische kern nog geen financieel onbezorgde succesformule vormt.
Geduldig kapitaal gaf de formule tijd
Het voortbestaan van Frites Atelier kan niet los worden gezien van Laurent Hompes. De medeoprichter en voormalig eigenaar van Scotch & Soda is vanaf het begin de kapitaalkrachtige kracht achter de formule.
In 2018 werd gemeld dat Hompes op dat moment al 7,5 miljoen euro in het concept had gestoken. Iedere nieuwe vestiging vergde destijds volgens dezelfde berichtgeving een investering van ongeveer 425.000 euro.
Die financiële rugdekking gaf Frites Atelier de mogelijkheid om locaties te sluiten, het concept aan te passen, nieuwe producten te ontwikkelen en vervolgens opnieuw voor een andere groeistrategie te kiezen. Zonder dergelijk geduldig kapitaal krijgen maar weinig jonge horecaconcepten tien jaar de tijd om hun werkende model te vinden.
Sinds 2024 wordt vooral ingezet op franchise, groothandel en samenwerking met andere hospitalitybedrijven. Eind 2025 werd de internationale Giraudi Group aangesteld als masterfranchisenemer. Daarmee hoeft Frites Atelier niet langer iedere internationale vestiging zelf te financieren.
Ook restaurantfriet nog geen brede doorbraak
De uitbreiding van Frites Atelier beperkte zich niet tot eigen vestigingen. In november 2022 introduceerde frietproducent Lamb Weston de Frites Atelier-Frites voor restaurants.
Het diepgevroren product werd na enkele jaren ontwikkeling gepresenteerd als een premium alternatief voor verse friet. Restaurants zouden daarmee dezelfde frietkwaliteit kunnen serveren als Frites Atelier, zonder zelf het volledige bereidingsproces met verse aardappelen te hoeven uitvoeren.
De friet wordt gemaakt van Agria-aardappelen met schil en heeft een onregelmatige snit van 13 millimeter. Bij de introductie richtten Lamb Weston en Frites Atelier zich nadrukkelijk op chefs en restaurants die aan friet dezelfde kwaliteitseisen stellen als aan hun vlees-, vis- en groentegerechten.
Het product is nog steeds verkrijgbaar, onder meer bij Sligro en HANOS. Van een brede, zichtbare doorbraak in de Nederlandse restaurantmarkt is bijna vier jaar na de introductie echter geen sprake.
Openbare verkoopcijfers zijn niet beschikbaar. Bovendien vermelden restaurants het merk van hun friet niet altijd op de menukaart. Daardoor kan niet exact worden vastgesteld hoeveel zaken het product daadwerkelijk gebruiken.
Wel is duidelijk dat de naam Sergio Herman en het merk Frites Atelier nog niet hebben geleid tot een herkenbare nieuwe standaard voor premium friet in restaurants. De introductie heeft in Nederland in elk geval niet de zichtbaarheid gekregen die bij de oorspronkelijke ambities mocht worden verwacht.
Lamb Weston heeft het concept niet opgegeven. In mei 2026 werd de Frites Atelier-friet ook in het Verenigd Koninkrijk geïntroduceerd, gericht op gastropubs, brasserieën, steakrestaurants en luxe hotels. Ook daar moet nog blijken of het product buiten de eigen Ateliers voldoende onderscheid en commerciële trekkracht heeft.
De groothandelsfriet vormt daarmee, net als franchise en pop-ups, opnieuw een groeirichting waarvan het uiteindelijke succes nog moet worden bewezen.
Amsterdam stond vooral in het logo
Opvallend blijft de naam Amsterdam in het logo en in de oorspronkelijke formulenaam Frites Atelier Amsterdam. Een grote flagshipvestiging in de hoofdstad werd vanaf het begin aangekondigd, maar nooit gerealiseerd.
Amsterdam fungeerde vooral als vestigingsplaats van de onderneming, onderdeel van de merkidentiteit en symbool van de internationale uitstraling. De eerste winkel stond niet in Amsterdam, maar in Den Haag.
Pas in mei 2026 verscheen Frites Atelier voor het eerst daadwerkelijk in de hoofdstad. Bij Café Jopie aan de Johan Cruijff Boulevard opende een tijdelijke pop-up, gekoppeld aan de concerten van Harry Styles in de Johan Cruijff ArenA.
Van een permanent Frites Atelier in Amsterdam is na tien jaar nog altijd geen sprake.
Londen en Sydney moeten internationale ambities bewijzen
In december 2025 opende in Soho in Londen de eerste permanente vestiging buiten de Benelux. Dat gebeurde via franchise en onder begeleiding van de nieuwe internationale masterfranchisenemer.
Op 18 augustus 2026 volgde een tijdelijke pop-up in Darling Square in Sydney. Daarmee wordt Frites Atelier voor het eerst in Australië gepresenteerd.
Zo’n pop-up kan veel publiciteit opleveren en is een relatief veilige manier om belangstelling in een nieuwe markt te testen. Het is echter nog geen permanente vestiging en evenmin bewijs dat het concept daar duurzaam kan worden geëxploiteerd.
De stap naar Sydney past wel bij de nieuwe strategie: eerst het merk presenteren en de markt verkennen, vervolgens zoeken naar lokale partners die de investering en exploitatie voor hun rekening willen nemen.
Een sterke niche, nog geen bewezen wereldformule
Porselein en champagne passen uitstekend bij de premium niche die Frites Atelier heeft gekozen. De Belgische frietcultuur, de grotere restaurantachtige vestigingen en de naam Sergio Herman vormen daarvoor een geloofwaardige basis.
Maar het tienjarig bestaan is geen verhaal van ononderbroken groei. Het is eerder het verhaal van een sterk en kapitaalintensief merk dat meerdere keren van koers kon veranderen. De oorspronkelijke Nederlandse uitrol hield geen stand, de restaurantfriet heeft nog geen brede doorbraak beleefd en de internationale expansie moet zich grotendeels nog bewijzen.
Dat Frites Atelier laat zien dat friet ook als culinair luxeproduct kan worden gepresenteerd, staat buiten kijf. De beslissende vraag is of die beleving op veel meer plaatsen winstgevend kan worden herhaald, zonder dat daarvoor telkens opnieuw veel geld en geduld nodig zijn.
Zelfs met een beroemde chef en een kapitaalkrachtige investeerder achter je, komt succes niet vanzelf. Ook voor Sergio Herman blijft het hard bikkelen.
Afbeelding is met behulp van ChatGPT
samengesteld uit losse afbeeldingen
van de website van Frites Atelier
Op zaterdag 5 september vindt opnieuw de Nationale Aardappelrooidag plaats. Een sympathiek initiatief dat consumenten letterlijk het aardappelveld op brengt en laat zien waar een belangrijk deel van ons voedsel vandaan komt. Toch ziet ProFri mogelijkheden om vanaf 2027 een volgende stap te zetten. Want waarom zouden we het verhaal laten stoppen bij het rooien van de aardappel, terwijl juist ons frietje die aardappel bij miljoenen consumenten op het bord brengt?

Tijdens de Nationale Aardappelrooidag openen dit jaar negen locaties verspreid over Nederland hun deuren. Bezoekers kunnen zelf aardappelen rooien, kennismaken met telers en meer ontdekken over teelt, vakmanschap en innovatie. De dag wordt georganiseerd door de Nederlandse Aardappel Organisatie (NAO) en maakt deel uit van de campagne Power to the Pieper.
Daar is op zichzelf niets mis mee. Integendeel. De Nederlandse aardappel verdient aandacht en waardering.
Maar bij ProFri roept het tegelijkertijd een andere vraag op: kunnen we het verhaal van de aardappel niet veel verder doortrekken?
Van aardappelveld tot frietje
De Aardappelrooidag heeft historische raakvlakken met de Week van de Friet, die jarenlang vanuit het Nederlands Frituurcentrum werd georganiseerd. Ook daarin werd geprobeerd consumenten mee te nemen in het verhaal achter friet: de aardappel, de verwerking en uiteindelijk het vakmanschap van degene die er een goed frietje van maakt.
Dat complete ketenverhaal blijft relevant.
De Nederlandse aardappelverwerkende industrie behoort tot de wereldtop. De zes bedrijven die bij brancheorganisatie VAVI zijn aangesloten produceren aardappelproducten voor binnen- en buitenland. VAVI zelf schrijft niet voor niets dat Nederland, aardappelen en bekende producten als friet sterk met elkaar verbonden zijn.
Aan het einde van die keten staan onder andere de duizenden cafetaria’s, snackbars en andere frituurspeciaalzaken. Daar wordt het product rechtstreeks aan de consument aangeboden.
Van teler naar verwerker en van frituurprofessional naar consument: juist die verbinding biedt mogelijkheden.
Niet de Aardappelrooidag afserveren
Het zou te gemakkelijk zijn om te concluderen dat de Aardappelrooidag, met dit jaar negen deelnemende locaties, niet geslaagd is.
Dat is ook nadrukkelijk niet de boodschap van ProFri.
Wie consumenten zelf aardappelen laat rooien en kennis laat maken met de mensen achter het product, doet iets waardevols. Maar misschien kan wat in de afgelopen jaren is opgebouwd vanaf 2027 onderdeel worden van iets groters.
De VAVI ondersteunt de Aardappelrooidag inmiddels voor het derde jaar financieel. Juist nu die driejarige periode afloopt, lijkt het ProFri een goed moment om met elkaar terug te kijken én vooruit te kijken.
Wat heeft de campagne gebracht? Wat willen de betrokken partijen de komende jaren bereiken? En kan de professionele frituurbranche daarbij een veel grotere rol spelen?
Eerdere Week van de Friet leerde ons ook iets
ProFri begint daarbij niet met een blanco vel.
In het verleden werd eerst via ProFri en daarna vanuit het Nederlands Frituurcentrum de Week van de Friet georganiseerd. Vier grote aardappelverwerkers ondersteunden die campagne destijds ieder met ongeveer 5.000 euro.
Die steun was welkom, maar voor een serieuze landelijke consumentencampagne was het gezamenlijke budget beperkt. Organisatiekosten en financieel risico lagen uiteindelijk voor een belangrijk deel bij ProFri. Op de campagne is verlies geleden. Dat verlies is uiteindelijk binnen het Frituurcentrum opgevangen en daarmee feitelijk door initiatiefnemer Frans van Rooij gedragen.
Dat model willen en kunnen we niet opnieuw hanteren.
Het Nederlands Frituurcentrum is inmiddels nagenoeg ontmanteld. Een deel van de activiteiten is overgenomen door VHC en ondergebracht in de aparte vennootschap Frituurwereld BV; andere activiteiten zijn ondergebracht bij ProFri. Ook de domeinnaam weekvandefriet.nl is bij de overdracht naar Frituurwereld gegaan.
Dat betekent echter niet dat daarmee ook het idee achter een gezamenlijke campagne verdwenen hoeft te zijn.
ProFri wil bijdragen, maar niet opnieuw financieren
Als er vanaf 2027 draagvlak bestaat voor een nieuwe gezamenlijke campagne, wil ProFri daar graag een actieve bijdrage aan leveren.
We beschikken over kennis van de frituurbranche, contacten met ondernemers en andere partijen in de keten en, misschien nog belangrijker, over de verbinding met de plekken waar de consument daadwerkelijk zijn frietje koopt.
Stel je eens voor dat naast een aantal aardappelvelden ook honderden frituurzaken onderdeel worden van dezelfde campagne. Dat telers vertellen over de juiste aardappel, verwerkers laten zien wat nodig is om daarvan een goed product te maken en frituurprofessionals het verhaal afmaken bij de consument.
Dan ontstaat een campagne die werkelijk van aardappelveld tot frietje loopt.
De bijdrage van ProFri zal daarbij vooral bestaan uit kennis, netwerk, communicatie en het activeren van de frituurbranche. Financieel bijdragen of opnieuw het financiële risico van een landelijke campagne dragen, past niet bij de rol en mogelijkheden van de vereniging.
Een dergelijke campagne kan alleen slagen als partijen uit de keten gezamenlijk verantwoordelijkheid nemen voor ambitie, organisatie én financiering.
Eerst draagvlak bij onze leden
Er ligt nog geen uitgewerkt campagneplan en ProFri pleit evenmin voor het simpelweg terughalen van de oude Week van de Friet.
Tijdens de komende Algemene Ledenvergadering op 14 september willen we eerst met onze leden bespreken of er draagvlak bestaat om vanuit ProFri mee te werken aan een gezamenlijke campagneweek rond de Nederlandse aardappel en ons frietje. Niet als financieel risicodrager, maar vanuit onze kennis, ons netwerk en de verbinding met de professionele frituurbranche.
Als onze leden die richting ondersteunen, ligt een gesprek tussen ProFri en VAVI voor de hand. ProFri heeft hierover in het verleden al gesproken met voormalig VAVI-directeur Andries Middag, maar dat heeft destijds niet tot een concreet vervolg geleid.
Met een nieuwe directeur bij zowel VAVI als ProFri en het aflopen van de driejarige ondersteuning van de Aardappelrooidag ontstaat een natuurlijk moment om het gesprek opnieuw te voeren. Bij voldoende enthousiasme kunnen vervolgens ook de NAO en VHC worden betrokken en kan gezamenlijk worden gekeken naar de mogelijkheden voor 2027 en daarna.
Niet beginnen met de naam van een campagne. Niet beginnen met de vraag wie welk logo bovenaan mag zetten. En ook niet meteen beginnen over sponsorbedragen.
Eerst de belangrijkste vraag, zowel aan onze eigen leden als straks aan de andere partijen in de keten:
Kunnen we samen het verhaal van de Nederlandse aardappel én ons frietje sterker vertellen dan ieder voor zich?
ProFri denkt dat daar kansen liggen. Of onze leden dat ook zo zien, bespreken we op 14 september.
Regelmatig verdwijnen er cafetaria’s en snackbars uit het straatbeeld. Al snel wordt daarbij gewezen op vergrijzing, gebrek aan opvolgers of een branche waarin ondernemers hun bedrijf moeilijk verkocht krijgen. Dat speelt zeker een rol, maar het is maar een deel van het verhaal.
Door Frans van Rooij*
Er zijn namelijk nog steeds ondernemers die een frituurzaak willen overnemen. De vraag is eerder of iedere nieuwe ondernemer voldoende beseft wat er nodig is om er een goed rendement mee te behalen. Een cafetaria runnen is hard werken. Personeel is schaars en duur, inkoopkosten zijn gestegen en consumenten zijn kritischer geworden op prijzen. Een behoorlijke omzet is daardoor nog geen garantie voor een behoorlijk ondernemersinkomen.
Continuïteit staat breder onder druk
Dat neemt niet weg dat er wel degelijk continuïteitsproblemen zijn. Maar die zijn niet uniek voor de frituurbranche. De hele horeca heeft ermee te maken.
Consumenten ervaren horeca steeds vaker als duur en maken bewustere keuzes. Tegelijkertijd blijven kosten stijgen. Personeelskosten wegen zwaar, goede medewerkers zijn moeilijk te vinden en ook andere bedrijfskosten drukken op het resultaat. Ondernemers kunnen die stijgingen niet onbeperkt doorberekenen zonder klanten of bezoekmomenten te verliezen.
Dat maakt het ondernemerschap lastiger en kan uiteindelijk een reden zijn om te stoppen. Maar wie iedere verdwenen snackbar automatisch als bewijs ziet dat het slecht gaat met de frituurbranche, trekt een te snelle conclusie.

Soms bepaalt het vastgoed de toekomst
Vooral bij oudere cafetaria’s in woonwijken speelt nog iets anders. Veel van deze bedrijven zitten al tientallen jaren op dezelfde plek. Beneden bevindt zich de cafetaria, boven wordt gewoond.
Voor de eigenaar van zo’n pand kan het financieel aantrekkelijker zijn om de horecafunctie te beëindigen en het gehele pand een woonbestemming te geven. Soms gaat het bestaande gebouw zelfs volledig tegen de vlakte en komen er meerdere appartementen voor terug.
Dan verdwijnt een frituurzaak niet omdat er geen ondernemer te vinden is of omdat er geen vraag meer is naar friet en snacks. De waarde van het vastgoed bepaalt simpelweg een andere bestemming.
De omzet verdwijnt niet altijd mee
En dan gebeurt er economisch iets interessants. Want als een buurtcafetaria verdwijnt, stoppen de bewoners van die wijk niet ineens met het eten van friet en snacks.
Een deel van die omzet verschuift naar andere zaken in de omgeving. Waar eerst vier ondernemers dezelfde lokale markt verdeelden, zijn dat er misschien nog drie. Voor de overblijvende bedrijven kan daardoor het aantal klanten toenemen en kan een betere basis ontstaan voor een gezonde exploitatie.
Dat heet gewoon marktwerking.
Een dalend aantal frituurzaken hoeft daarom niet automatisch te betekenen dat de markt voor frituurproducten even hard krimpt. Het kan ook betekenen dat omzet zich over minder bedrijven verdeelt.
Kijk verder dan het aantal vestigingen
Daarom zegt alleen het tellen van openingen en sluitingen mij niet zoveel. Veel interessanter is waarom een bedrijf verdwijnt.
Is er onvoldoende rendement? Kan de ondernemer geen koper vinden? Is er juist wel een koper, maar krijgt die de financiering niet rond? Wordt het pand herontwikkeld tot woningen? Of verdwijnt een zaak omdat de lokale markt uiteindelijk beter functioneert met wat minder aanbieders?
Pas als we dat weten, kunnen we iets zinnigs zeggen over de ontwikkeling van de frituurbranche.
Want ja, de economische omstandigheden zijn uitdagend en ook frituurondernemers voelen de druk die momenteel in de hele horeca aanwezig is. Maar iedere snackbar die zijn deuren sluit bij voorbaat presenteren als bewijs dat de branche achteruitgaat, doet geen recht aan wat er werkelijk in de markt gebeurt.
Soms is een sluiting een verlies. Soms is het een waarschuwing. En soms is het simpelweg marktwerking.
Bijgaande afbeelding is gegenereerd door ChatGPT ter illustratie
Winterswijk telt relatief veel frituurzaken. Volgens Ubel Zuiderveld zijn het er veertien: meer per inwoner dan gemiddeld in Nederland, maar vergelijkbaar met Brabant en Limburg en mede verklaarbaar door Duitse klandizie. Het lokale voorbeeld laat opnieuw zien dat de brede CBS-categorie weinig zegt over het werkelijke aantal frituurspeciaalzaken en niets over consumptie of overgewicht.
Van 38 fastfoodzaken naar 14 frituurzaken
RTV Slingeland interviewde Ubel Zuiderveld, voormalig interim-directeur van ProFri en al jarenlang kenner van de frituur- en fastfoodsector. Aanleiding was de berichtgeving dat Winterswijk op basis van nieuwe CBS-cijfers de fastfoodhoofdstad van de Achterhoek zou zijn.
Zuiderveld reageert in het interview scherp op het beeld dat hierdoor ontstaat. Volgens het CBS telt Winterswijk 38 bedrijven binnen de categorie fastfood. Daaronder vallen echter niet alleen cafetaria’s, snackbars en hamburgerrestaurants, maar ook koffie- en broodjeszaken, ijssalons, eetkramen, shoarmazaken en andere aanbieders van eten voor directe consumptie.
Wie specifiek naar snackbars, cafetaria’s en andere frituurspeciaalzaken kijkt, komt volgens Zuiderveld uit op veertien. Winterswijk telt dus geen 38 snackbars.
Wel meer frituurzaken dan gemiddeld
Met die veertien frituurzaken ligt Winterswijk nog steeds boven het landelijke gemiddelde. De gemeente telde op 1 januari 2026 volgens de gemeentelijke bevolkingsgegevens 29.288 inwoners. Dat betekent één frituurzaak per ongeveer 2.100 inwoners.
Nederland telt naar schatting circa 5.400 cafetaria’s, snackbars en andere frituurspeciaalzaken. Bij 18,13 miljoen inwoners komt dat neer op gemiddeld één frituurzaak per ongeveer 3.350 inwoners.
Per inwoner heeft Winterswijk daarmee circa 60 procent meer frituurzaken dan het Nederlandse gemiddelde. Binnen de Achterhoek mag Winterswijk dus best een opvallende positie worden toegedicht. Landelijk is die dichtheid echter niet uitzonderlijk. Eén frituurzaak per circa 2.000 inwoners ligt rond het gemiddelde dat we ook in Noord-Brabant en Limburg zien, provincies met een sterke frituurcultuur.
Duitse klanten vergroten het verzorgingsgebied
Daar komt bij dat de frituurzaken in Winterswijk niet alleen afhankelijk zijn van de eigen inwoners. Zuiderveld wijst in het interview terecht op de ligging vlak bij de Duitse grens. Winterswijk trekt Duitse bezoekers die er winkelen, de markt bezoeken en ook iets eten.
Bij de berekening van het aantal zaken per duizend inwoners worden deze bezoekers niet meegeteld. De 14 frituurzaken worden uitsluitend afgezet tegen de 29.288 inwoners van de gemeente, terwijl hun werkelijke klantenkring groter is.
Dat helpt verklaren waarom Winterswijk relatief veel frituurzaken kan dragen. Het betekent bovendien dat uit het aantal zaken niet kan worden afgeleid dat Winterswijkers zelf vaker friet en snacks eten.
In de jaren zestig waren er veel meer frituurzaken
Ook historisch gezien is de huidige dichtheid in Winterswijk niet uitzonderlijk. In de jaren zestig telde Nederland ruim 8.000 frituurzaken. De bevolking groeide in dat decennium van 11,4 miljoen naar bijna 13 miljoen inwoners. Er was toen landelijk ongeveer één frituurzaak per 1.400 tot 1.600 inwoners.
Nederland had destijds dus per inwoner aanzienlijk meer frituurzaken dan Winterswijk nu. Veel van die bedrijven waren frietkramen die het straatbeeld mede bepaalden. Deze zijn inmiddels nagenoeg verdwenen. Het aantal cafetaria’s, snackbars en andere frituurspeciaalzaken daalde naar circa 5.400, terwijl de Nederlandse bevolking juist sterk groeide.
Historische en actuele tellingen zijn niet op ieder detail één-op-één vergelijkbaar, maar de ontwikkeling is duidelijk: van een landelijke groei of verdubbeling van het aantal echte frituurzaken is geen sprake.
Brede CBS-categorie groeide wel
De recente CBS-publicatie gaat over een veel bredere groep. Het CBS telde begin 2026 ruim 19.400 bedrijven binnen de categorie fastfood, tegenover ruim 10.300 in 2007. Dat is een toename van 88 procent.
Die groei kan echter niet worden vertaald naar een bijna verdubbeling van het aantal snackbars of frituurspeciaalzaken. De categorie omvat ook allerlei nieuwe gemaksconcepten, broodjeszaken, lunchrooms, ijssalons, eetkramen en afhaalbedrijven die de afgelopen twintig jaar zijn ontstaan.
Fastfood is hier een administratieve bedrijfsindeling en geen voedingskundige kwalificatie. ProFri wees daar eerder al op in de artikelen Bijna twee keer zoveel fastfoodzaken? De cijfers vragen om meer context en 33 fastfoodzaken in Baarn? De cijfers vertellen een ander verhaal dan de kop.
Geen maatstaf voor gezondheid
Winterswijk telt dus relatief veel frituurzaken, maar de verklaring is breder dan het eetgedrag van de eigen inwoners. De dichtheid past bij die van traditionele frituurprovincies als Brabant en Limburg, ligt onder het landelijke niveau uit de jaren zestig en wordt mede gedragen door Duitse bezoekers.
Het aantal vestigingen zegt bovendien niets over hoe vaak mensen er komen, wat zij bestellen of hoeveel er wordt verkocht. Nog minder kan daaruit een conclusie worden getrokken over overgewicht of obesitas.
Wie cijfers wil gebruiken voor maatschappelijke beeldvorming of gemeentelijk beleid, moet daarom eerst vaststellen wat er werkelijk is geteld. Winterswijk mag op basis van de cijfers relatief veel frituurzaken hebben. Dat maakt de gemeente nog niet het bewijs dat Nederland wordt overspoeld door snackbars of dat haar inwoners door de aanwezigheid van snackbars ongezonder eten.
Afbeelding linkt door naar interview van RTV Slingeland