Achtergrond
Het aantal fastfoodbedrijven in Nederland is de afgelopen twintig jaar sterk toegenomen. Dat blijkt uit nieuwe cijfers van het CBS en leidde afgelopen week tot veel media-aandacht. Daarbij werd al snel een verband gelegd met ongezond eten, overgewicht en obesitas. Maar wat heeft het CBS eigenlijk geteld? Een nadere blik op de cijfers – en op de 33 ‘fastfoodzaken’ die Baarn volgens de statistiek telt – laat zien dat meer nuance nodig is.

Door Frans van Rooij*
De cijfers van het CBS zijn helder: binnen de statistische categorie waarin onder andere fastfoodrestaurants en cafetaria's vallen, staan aanzienlijk meer bedrijven geregistreerd dan twintig jaar geleden. Dat is een relevante ontwikkeling.
Maar vervolgens begint de interpretatie.
In verschillende publicaties ontstond het beeld dat Nederland in twintig jaar tijd veel meer snackbars en fastfoodrestaurants heeft gekregen. Vervolgens werd de stap gezet naar de voedselomgeving en de ontwikkeling van overgewicht en obesitas.
Dat zijn verschillende vraagstukken die niet zonder meer aan elkaar kunnen worden gekoppeld.
Wat telt het CBS eigenlijk?
Het CBS deelt bedrijven in naar economische activiteit met behulp van de Standaard Bedrijfsindeling, de SBI. Het gaat om een statistisch classificatiesysteem dat veel breder is dan wat een consument in het dagelijks taalgebruik onder een ‘fastfoodzaak’ verstaat.
Dat onderscheid is belangrijk.
Wie leest dat een gemeente tientallen fastfoodbedrijven telt, denkt waarschijnlijk aan snackbars, cafetaria's, hamburgerrestaurants, pizzazaken en andere voor consumenten herkenbare fastfoodvestigingen.
Maar de statistische categorie is geen inventarisatie van alleen dat soort winkels. Ook andere typen horeca- en foodbedrijven kunnen binnen deze indeling vallen.
Bovendien telt een bedrijfsstatistiek bedrijven of vestigingen. Daarmee weten we nog niet hoeveel klanten deze ondernemingen ontvangen, hoeveel maaltijden zij verkopen of hoeveel mensen er daadwerkelijk fastfood consumeren.
Baarn als voorbeeld
De berichtgeving over Baarn maakt goed zichtbaar waarom dat onderscheid ertoe doet.
Het AD meldde dat Baarn 33 fastfoodzaken telt en daarmee, afgezet tegen het aantal inwoners, de ‘fastfoodhoofdstad’ van de provincie Utrecht is. Lokale ondernemers reageerden verbaasd. Wie door Baarn loopt, ziet immers geen 33 snackbars of fastfoodrestaurants.
Een nadere blik op ondernemingen die binnen deze statistische categorie worden geregistreerd, geeft een veel gevarieerder beeld.
Natuurlijk zitten daar cafetaria's en afhaalzaken tussen. Maar ook ijssalons en andere horecaconcepten vallen binnen de categorie. In Baarn zijn daarnaast bijvoorbeeld een pannenkoekenbedrijf, stationshoreca en ondernemingen met catering- of productieactiviteiten in of rond deze bedrijfsindeling terug te vinden.
Dat betekent niet dat het CBS verkeerd telt.
Het betekent wél dat voorzichtigheid nodig is bij de vertaling van een statistische bedrijfscategorie naar het alledaagse begrip ‘fastfoodzaak’.
Een registratie in deze categorie staat niet automatisch gelijk aan een zelfstandige snackbar of fastfoodwinkel zoals een krantenlezer zich die waarschijnlijk voorstelt.
Meer bedrijven betekent niet automatisch meer consumptie
Daarmee komen we bij een tweede onderscheid.
Stel dat het aantal fastfoodvestigingen daadwerkelijk sterk is toegenomen. Dan weten we nog steeds niet of Nederlanders ook evenredig meer fastfood zijn gaan eten.
Daarvoor zijn andere gegevens nodig.
Je zou onder meer moeten kijken naar bezoekersaantallen, verkochte hoeveelheden, consumptiefrequentie, portiegrootte en de ontwikkeling van de totale voedselconsumptie.
Een kleine onderneming en een grote vestiging die dagelijks honderden klanten ontvangt, kunnen in een telling van bedrijfsvestigingen allebei als één meetellen. Andersom kan een groei van kleine gespecialiseerde ondernemers het aantal bedrijven sterk laten toenemen zonder dat de totale consumptie in dezelfde verhouding groeit.
En de voedselmarkt is in twintig jaar ingrijpend veranderd. Eten en tussendoortjes worden niet alleen gekocht bij horecaondernemers. Supermarkten, bakkerijen, tankstations, conveniencewinkels, bezorgdiensten, bedrijfsrestaurants en andere verkoopkanalen maken allemaal deel uit van de omgeving waarin consumenten hun keuzes maken.
Wie iets wil zeggen over wat Nederland eet, zal dus breder moeten kijken dan naar het aantal bedrijven binnen één SBI-categorie.
Friet of een kroket is niet automatisch ‘ongezond eten’
Ook de begrippen fastfood en ongezond voedsel liepen afgelopen week gemakkelijk door elkaar.
Alsof de aanwezigheid van een snackbar automatisch iets zegt over de gezondheid van het voedingspatroon van de mensen die er wonen.
Ook dat is te eenvoudig.
Friet, een kroket of andere gefrituurde producten zijn voedingsmiddelen. Hun plaats binnen een voedingspatroon wordt mede bepaald door samenstelling, portiegrootte, bereidingswijze, consumptiefrequentie en vooral door wat iemand daarnaast eet en drinkt.
Hetzelfde geldt voor vet. Vet is een noodzakelijke voedingsstof en is niet automatisch synoniem met ongezond. Onder meer het soort vet, de hoeveelheid en het totale voedingspatroon zijn relevant.
Daarmee hoeft de frituurbranche niet te beweren dat ieder product onbeperkt kan worden gegeten. Dat geldt voor vrijwel geen enkel voedingsmiddel.
Maar het andere uiterste – gefrituurd is vet, vet is ongezond en een snackbar staat dus voor ongezond eten – is evenmin een zorgvuldige benadering van voeding.
Van fastfoodbedrijven naar obesitas is een grote stap
Nog groter wordt de stap wanneer de ontwikkeling van het aantal geregistreerde fastfoodbedrijven wordt verbonden aan de toename van overgewicht en obesitas.
Dat de voedselomgeving invloed kan hebben op wat mensen eten, staat niet ter discussie. Daar wordt internationaal veel onderzoek naar gedaan. Ook zijn er studies waarin verbanden worden gevonden tussen blootstelling aan fastfoodaanbod en lichaamsgewicht.
Maar het wetenschappelijke beeld is niet zo eenvoudig dat uit het aantal fastfoodvestigingen rechtstreeks een ontwikkeling van obesitas kan worden verklaard.
Een recente systematische review en meta-analyse van meer dan honderd onderzoeken vond voor bepaalde vormen van blootstelling aan fastfoodaanbod een positieve samenhang met obesitas, maar niet voor alle onderzochte maatstaven. De onderzoekers concludeerden bovendien dat alleen het reguleren van verkooppunten waarschijnlijk onvoldoende is om obesitas terug te dringen.
Dat is een essentieel onderscheid: samenhang is nog geen bewijs van oorzaak en gevolg.
Overgewicht en obesitas zijn complexe, multifactoriële vraagstukken. Voedingspatroon en energie-inname spelen een rol, maar daarnaast spelen onder meer beweging, sociaaleconomische omstandigheden, leeftijd en andere individuele en omgevingsfactoren mee.
Uit een stijging van het aantal bedrijven binnen één statistische categorie kan daarom niet worden geconcludeerd dat die ontwikkeling de stijging van obesitas heeft veroorzaakt.
Ook de frituurbranche heeft een verantwoordelijkheid
ProFri wil de discussie over voeding en gezondheid niet uit de weg gaan. Overgewicht en obesitas zijn serieuze maatschappelijke problemen en ook ondernemers in de frituurbranche maken deel uit van de Nederlandse voedselomgeving.
Daar hoort verantwoordelijkheid bij.
Maar verantwoordelijkheid nemen betekent niet dat iedere relatie die tussen de frituurbranche en gezondheid wordt gelegd daarmee automatisch juist is.
Juist bij een maatschappelijk probleem als obesitas is het belangrijk om onderscheid te maken tussen wat we weten, welke samenhang onderzoek laat zien en wat daadwerkelijk als oorzaak kan worden aangetoond.
Dat vraagt ook om een brede blik op de voedselomgeving. Niet alleen op de snackbar in de winkelstraat, maar op alles wat Nederlanders gedurende de dag eten en drinken en op alle plaatsen waar zij dat kopen.
De CBS-cijfers zijn waardevol – mits we ze juist gebruiken
ProFri trekt de cijfers van het CBS niet in twijfel. De statistieken laten zien dat het aantal geregistreerde bedrijven binnen deze bedrijfscategorie in twintig jaar sterk is veranderd.
De vraag is wat we vervolgens met die constatering doen.
De cijfers vertellen hoeveel bedrijven of vestigingen binnen een statistische categorie worden geregistreerd. Ze vertellen niet automatisch hoeveel fysieke snackbars Nederland erbij heeft gekregen. Ze vertellen niet hoeveel friet, snacks, pizza's of andere producten Nederlanders consumeren. En ze vertellen al helemaal niet waardoor obesitas toeneemt.
Voor die conclusies zijn aanvullende gegevens en aanvullend onderzoek nodig.
Een zorgvuldig maatschappelijk debat begint daarom niet met het zoeken naar één schuldige, maar met het stellen van de juiste vragen.
Een snackbar tellen is eenvoudig. Daarmee weten we nog niet wat Nederland eet. En al helemaal niet waarom Nederland zwaarder wordt.
Afbeelding is gegenereerd met behulp van ChatGPT
*Frans van Rooij is initiatiefnemer en voormalig directeur van ProFri. Als adviseur is hij nog betrokken bij de belangenbehartiging en inhoudelijke dossiers van de vereniging.
